Gerichter angstonderzoek opent deur naar betere zorg
Onderzoekers van KU Leuven brengen in kaart hoe experimenteel onderzoek naar angstklachten betrouwbaarder en klinisch relevanter kan worden uitgevoerd. Ze focussen op zogeheten ‘symptoomprovocatie’: methoden die bewust angstreacties uitlokken om onderliggende mechanismen te bestuderen. De inzichten werden gepubliceerd in Trends in Neurosciences en dragen op termijn bij aan betere behandelingen voor patiënten met onder meer angststoornissen, obsessief-compulsieve stoornis en posttraumatische stressstoornis.
Zo’n 13% van de bevolking krijgt ooit te maken met angststoornissen die hun dagelijks functioneren soms sterk kunnen verstoren. Toch blijven veel vragen bestaan over wat precies angstreacties uitlokt en waarom personen er last van blijven hebben. Onderzoekers van KU Leuven tonen aan dat symptoomprovocatie – het gecontroleerd uitlokken van angst, stress of dwanggedachten – een krachtige methode is om de achterliggende processen beter te begrijpen. Een cruciale stap om vervolgens op zoek te gaan naar mogelijke behandelingen.
“Op dit moment is onderzoek naar angststoornissen en de effectiviteit van behandelingen vaak gebaseerd op vragenlijsten die patiënten invullen met vragen als ‘Hoe vaak voelde je je de voorbije 2 weken nerveus of angstig?’. Dit is heel subjectief en veronderstelt dat patiënten veel inzicht hebben in het verloop van hun eigen symptomen. Met ons artikel willen we andere wetenschappers ondersteunen om studies uit te voeren met objectieve, gestandaardiseerde metingen tijdens zulke symptomen”, aldus KU Leuven-onderzoekster Laura Luyten.
Drie methoden om angst uit te lokken
Bij symptoomprovocatie worden verschillende soorten prikkels gebruikt, elk met eigen voor- en nadelen. Volgens de onderzoekers is er geen ‘beste’ methode en hangt de keuze af van het onderzoeksdoel en de patiëntengroep. Hun veiligheid en welzijn is immers prioriteit.
- Verbeelding (imaginal): deelnemers stellen zich een angstwekkende situatie voor. Dit voelt voor patiënten vaak veiliger en kan makkelijk op elk individu afgestemd worden maar is een minder geschikte methode om bepaalde gedragingen te meten.
- Beelden (imagery): foto’s of video’s lokken reacties uit. Deze methode is goed te standaardiseren, maar minder representatief voor de werkelijke situaties.
- Reële blootstelling (in vivo): deelnemers worden geconfronteerd met echte situaties. Dit sluit het best aan bij de realiteit, maar is complexer en kan voor de deelnemers zeer intens zijn.
Dankzij de verschillende methoden, kunnen onderzoekers emoties, gedrag en lichamelijke reacties meten, bijvoorbeeld via hersenscans of hartslagmetingen. Door de parameters objectief te bepalen, kunnen wetenschappelijke studies grondiger gevoerd worden dan louter op basis van patiëntengetuigenissen achteraf.
“Door symptomen gecontroleerd uit te lokken, kunnen we processen zichtbaar maken die anders verborgen blijven,” zegt onderzoekster Xena Serifova (KU Leuven). “Dat helpt ons om preciezer te begrijpen wat er in de hersenen van patiënten gebeurt. Op basis daarvan kunnen meer gerichte behandelingen ontwikkeld worden om patiënten effectief te helpen met hun angstproblematiek.”
Meer informatie
- De studie Triggered minds: key considerations for symptom provocation research in anxiety-related disorders door Serifova et al. werd gepubliceerd in Trends in Neurosciences (DOI: 10.1016/j.tins.2026.02.006).
- Het onderzoek kreeg financiële steun van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), KU Leuven en de Brain & Behavior Research Foundation.
